Inwendige zending en evangelisatie binnen de kerk(en)
Dit artikel over her-evangelisatie bestaat uit 5 delen. Te weten:
- Inleiding: Wat is er aan de hand in de Kerk? (Blz. 1-2)*
Deel 2
- Waar gaat de Nieuwtestamentische kerk eigenlijk over? (Blz 3-19)*
2.1 De oorspronkelijke of geestelijke kerk
2.2 Wat ging er mis? Het verval van de kerk. De afval
- Wat is de essentie van het evangelie? (Blz. 20-35)*
3.1 Het Eeuwig Evangelie
3.2 Hoe krijgen we deel aan de volmaaktheid?
3.3 Hoe vallen we ervan af? De menselijke heerschappij in de kerk
- Aan de slag: her-evangelisatie (Blz 36-53)*
4.1 predik de Hemelse Waarheid in alle kerken, uitgaande van het principe:
eerst de Jood en dan de Griek
4.2 de gevolgen: acceptatie: afwerping van het menselijk systeem of non-
acceptatie: de vervolging
4.2 het oordeel over de valse herders en hun volgelingen
4.3 de overwinning in de wederkomst des Heren in en met de overwinnaars
- Herhaling van het plan van God (Blz. 54-57)*
- Samenvatting
- Voetnoten
- * NB. De bladzijde nummers verwijzen naar het integrale artikel.
Definitie:
Onder evangelisatie wordt hier verstaan: het prediken van het evangelie van Jezus Christus, zoals Jezus en Zijn apostelen dat hebben gedaan met als doel de verwekking van alle mensen tot kinderen van God en hun voortschrijdende ontwikkeling tot gelijkvormigheid aan het beeld van Christus, waarvan in de hele Bijbel getuigenis wordt afgelegd: “Gij dan zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is”, wat de wedergeboorte uit de Geest is, Mattheüs 5:48; Genesis 1:26-27; Romeinen 8:29; Efeze 4:13-15; 1Johannes 3:1-3,9.
DEEL 2. Waar gaat de Nieuwtestamentische kerk eigenlijk over?
Kerk zijn, is volgens een Bijbelse definitie: Tempel van God zijn. Een andere definitie is: Lichaam van Christus zijn. Paulus beschrijft beide definities in zijn eerste brief aan de Corinthiërs. Het tempel van God zijn geldt zowel individueel als collectief:
1 Cor. 12:13 “want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.”
En die Geest is de HEER Zelf, Zijn Wezen, zoals Paulus in zijn 2e Corinthebrief schrijft:
2 Cor. 6:16 “Gij toch zijt de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal in hen wonen en wandelen te midden van hen en Ik zal hun God zijn en ZIJ ZULLEN MIJN VOLK ZIJN”.
2 Cor. 3: 17 “De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid“.
Met andere woorden: Kerk zijn gaat alleen over CHRISTUS IN ONS. Oftewel: Kerk zijn gaat over de innerlijke verbinding van de mens met de HEER Jezus Christus, als een huwelijk. Paulus beschrijft deze definitie van kerk zijn als Gehuwde van Christus in de brief aan de gemeente in Efeze:
Efeze 5: 32 “Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en de gemeente.”
In Openbaring 19:7 “Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt.”
Het woord kerk is ons gangbare woord voor het Griekse èkklesia: de bijeengeroepen groep. *2) Dit woord èkklesia wordt maar in twee uitspraken van Jezus vermeld, t.w. in
Mattheüs 16:18 “En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze Petra zal Ik Mijn gemeente *3) bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen”.
En in Mattheüs 18:17 “Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de gemeente. Indien hij naar de gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar”.
Vervolgens wordt het woord “ekklesia” vele malen gebruikt in Handelingen, waarvan enkele voorbeelden:
Handelingen 2:47 “en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de HERE voegde dagelijks toe aan de kring , die behouden werden”.
Handelingen 8:1 En Saulus stemde in met zijn terechtstelling. En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen.
Handelingen 9:31 De gemeente dan door geheel Judea, Galilea en Samaria had vrede; zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren, en zij nam in aantal toe door de bijstand van de Heilige Geest.
Handelingen 20:28 Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door zijn eigen bloed verworven heeft.
En verder in o.a.
1 Corinthe 1:2 Aan de gemeente Gods te Corinthe, aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen met allen, die allerwegen de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen, hun en onze Here
1 Corinthe 12:28 En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten, daarna gaven van genezing, bekwaamheid om te helpen, om te besturen, en verscheidenheid van tongen.
Efeze 1:22 En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente
Colossenzen 1:18 “en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente, Die het begin is, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is.”
Efeze 3:10 “opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden”
Alle apostelen benadrukken dat Christus alleen het werkzame Hoofd is van Zijn gemeente, met name blijkt dat uit wat Johannes schrijft in opdracht van de HEER in Openbaring 1, 2 en 3.
Daarom dan ook in Efeze 3:21 “Hem zij de heerlijkheid in de gemeente in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen”.
Uitgaande van dit laatste vers, zouden we kunnen of moeten concluderen dat gemeente van God zijn al is van alle eeuwen en wat de Aarde betreft al moet hebben bestaan vanaf de eerste mens, Adam en Eva en hun nageslacht. Immers, zij werden als eerste geschapen in Gods Beeld en Gelijkenis, wat wil zeggen: als tempels van Zijn Aanwezigheid, want niemand kan Beeld Gods zijn dan wie Christus als het Ware Beeld Gods in zich aanwezig heeft.
Dat Christus het Beeld Gods is, lezen we in:
2 Corinthe 4:4 “ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is”
En in Colossenzen 1:15 “Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping”.
We kunnen dan ook concluderen dat in ieder mens dat Beeld Gods, Christus, dus ook aanwezig moet zijn, al is het in zijn aller-diepste grond, maar met de bedoeling om uit te kunnen groeien tot volle wasdom. Dat aller-diepste moet door de prediking van het evangelie vanuit en in de zuivere Geest van liefde en waarheid van Christus opgewekt worden.
Dat is wat Jezus zegt in
Johannes 5:25 “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven.”
En daarop volgt dan de opbouw:
Efeze 4:13 “totdat wij allen de eenheid van geloof en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus.”
Omdat in de volmaking, dat Beeld volkomen is geworden (Matth. 5:48).
Zoals 1 Thess. 5:23 zegt:
En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven.
Welnu, wat zal dan gelden in die tot de volmaaktheid gekomen mens?
Het enige wat in die mens gelden zal is Christus. Alleen de werking van de Geest Gods, de goddelijke liefde, het denken en het weten, de kennis van de Geest Gods, de toegang tot de Alwetendheid zal in die mens werken en Aanwezig zijn. Hij is volledig losgekomen van het denken vanuit de materie, de natuurlijke zichtbare wereld.
Hij “eet niet meer van de boom der kennis van goed en kwaad” maar van “de boom des levens”. Al zijn kennen en weten is dan uit de Enige Bron van Waarheid, de Zalving van de Heilige, van Christus in Wie al de schatten van kennis en wijsheid aanwezig zijn (Colossenzen 2:3). En onderwezen door de Geest van Christus, zal die mens ook de natuurlijke wereld gaan kennen en begrijpen.
Hij is innerlijk dan volledig losgemaakt van de materie, hoewel nog steeds in de materie, in zijn lichaam, gevangen. De volkomen VERLOSSING zal dan zijn de verandering “in een punt des tijds” van sterfelijk in onsterfelijk, de verheerlijking van het lichaam, wat Paulus ook noemt: de verlossing van ons lichaam. Hij is dan volkomen geestelijk; naar geest, ziel en lichaam, Eén. Eén met God, Eén Geest met Christus. Volledig in harmonie met Vader en Zoon, Liefde en Waarheid. Dat is de openbaring van de zonen Gods, Rom. 8:19. Het denken en de begeerten van de wereld zijn volledig en voor altijd overwonnen, verzwolgen in de overwinning.
Kerk-zijn op Aarde is daartoe de oefenschool voor de individuele en gezamenlijke ontwikkeling tot die volmaaktheid en dat geestelijke en hemelse denken en leven van de Geest van Christus in de wedergeboren mens. Ontwikkeling zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van de wereld om hen heen, tot vervulling van de zendingsopdracht van Mat. 28:19.
De HEER gaf eens deze beschrijving van Zijn Gemeente:
In Mijn gemeente staat en gaat iedereen op eigen benen.
Iedereen heeft Mij boven alles lief en wil daarin graag uitblinken, in echte nederigheid, niet om een ander af te troeven of om met de anderen te wedijveren. In Mijn gemeente heerst echte nederigheid, want daar ben Ik de samenbindende factor. In Mijn gemeente heerst het klimaat van de hemel! Want Ik ben in hen, en de hemel is in Mij en waar Ik ben daar komt door Mij de hemel. Zo wordt de woestijn als een bloeiende hof. Zo komt licht in de duisternis. Zo verandert rouw in vreugdedans.
Als Ik in allen ben, dan wordt Mijn heerlijkheid pas echt geopenbaard. Dan zijn jullie tot lof van Mijn genade.
In Mijn gemeente wil iedereen door de werking van Mijn Geest in hen de ander dienen, in alle ootmoed.
In Mijn gemeente is vrijheid omdat de liefde er heerst en Mijn kinderen vreugde hebben in Mijn Liefde en die willen leven.
In Mijn gemeente – in Mijn Lichaam op aarde – zijn de leden zich bewust dat Ik in hen ben.
Zij putten voortdurend uit Mij als de onuitputtelijke Levensbron in hen. Iedereen beijvert zich om de uit Mij opgediepte schatten te delen met anderen zodat allen vreugde daarover hebben. Niemand is afgunstig. Niemand heeft angst voor de ander. Niemand veroordeelt.
Allen zijn blij met de Waarheid die Ik hen openbaar en die hen doel en richting geeft.
Allen weten dat Ik Waarheid ben, de Waarheid en de echte, blijvende, geestelijke Werkelijkheid.
Allen voelen van binnen Mijn kracht, Mijn wezen, Mijn Liefde, Mijn zachtmoedigheid en vriendelijkheid, mijn trouw, mijn geduld, Mijn blijdschap en vrede, ja Mijn onwankelbare vrede en standvastigheid. In Mijn gemeente voelt men de veiligheid die er bij Mij is en de onkwetsbaarheid. En ieder maakt zich die eigen door één met Mij te willen worden en dan te blijven. Dat is ieders grootste verlangen: steeds meer één met Mij te zijn.
Waarlijk Mijn geliefden, wanneer je werkelijk in Mij gelooft, dan zal dat alles in je gaan werken en zal het zo zijn als Ik gezegd heb. Jullie zult hemelburgers zijn hier op aarde.
Ja, Mijn gemeente is een heilige plaats, door Mijn Aanwezigheid in allen. Zij zijn daardoor ook heilig en heten en zijn heiligen, afgezonderd van de wereld doordat Mijn Geest in hen is. Zij zijn in de wereld en trachten haar te redden, zoals Ik in de wereld kwam om haar te redden door de werken des duivels te verbreken. Mijn gemeente wandelt zoals Ik gewandeld heb.
In Mijn gemeente wordt gezien dat de heerlijkheid van het Nieuwe Verbond waarlijk groter is dan die van het Oude. Alleen al vanwege haar grote verscheidenheid en eenheid door de gezamenlijke liefde voor Mij en daardoor voor elkaar en voor allen die nog buiten zijn. Want hun liefde voor Mij weerspiegelt zich ogenblikkelijk in hun liefde voor elkaar. Mijn Liefde is één en maakt één want Ik Ben één.
Hun grote kenmerken zijn: eenvoud, nederigheid en zachtmoedigheid, EEN VREEDZAME GEDULDIGE WANDEL in Mijn Heilige Geest. Een diepgaande innerlijke hemelse vreugde, want Mijn hemel is in hen en hun sfeer is Mijn hemel. Omdat zij Mij zo liefhebben kan Ik hen veel toevertrouwen, want ze geloven elk woord dat uit Mijn mond komt en nemen dat aan als ware spijs en nemen het in hun binnenste op. En ze delen dat in liefde met elkaar. Ze ademen Mijn Geest. Dat is het voortdurend gebed in hun hart. Ze genieten van de hemelse rijkdom in Mij en geven er al het aardse voor prijs”.
2.1 De oorspronkelijke of Geestelijke Kerk
In de volheid der tijden werd het Kind, de Zoon, waarvan Psalm 2:7 spreekt, geboren uit de maagd Maria, zoals de HEER dat had aangekondigd in Jesaja 7:14 en 9:6-7, welke geboorte in Mattheüs 1 wordt beschreven.
In dat Kind Emanuel, God-met-ons, werd de Eeuwige God, als het Woord, Zelf Mens onder de mensen om die het Ware “in Zijn Beeld en Gelijkenis” Mens-zijn, te tonen en de verbroken band met de mens te herstellen. Aldus werd het Woord vlees en leerde de mensen in het land Israël de levende weg tot God, want, zei Hij: “het heil is uit de Joden”. En dat Heil was en is niets en niemand anders dan de HEER Jezus Christus ZELF, “de ware Jood in het verborgene!” [Romeinen 2:29]
HIJ is de “genade Gods Die verschenen is om HEIL te brengen aan alle mensen”, Titus 2:11.
Om Zijn komst als Mens aan te kondigen werd Johannes de Doper gezonden om heel Israël eerst terug te roepen “tot de wet en de getuigenis” en te benadrukken dat de mens die zich door hem ter reiniging liet dopen vervolgens moest geloven in Hem Die na hem kwam, die hij ook aanwees – toen Jezus Zich door hem liet dopen – als het Lam Gods dat in staat was de zonde ook werkelijk weg te nemen.
Het geloof in Jezus werd in Zijn eerste leerlingen opgewekt door de Geest van de Vader, die vanuit Jezus werkte naar Zijn omgeving. Dit wordt in Mattheüs 16 duidelijk gemaakt als Jezus Zijn discipelen vraagt Wie zij denken dat Hij is. Hij geeft dan een uitermate belangrijk criterium, het ultieme kenmerk, aan, waarop Zijn Gemeente gebouwd zal zijn en waaraan zij gekend zal worden, n.l. dat Zijn Gemeente door de Geest van de Vader zal weten Wie Hij is.
En dat innerlijk weten door de Geest wekt het ware geloof, is het innerlijke getuigenis van de Aanwezigheid van en de innerlijke Verbondenheid met de HERE Jezus Christus en daarmee met de Vader Zelf in Hem [2Corinthe 13:5].
Jezus bevestigt deze wijze van tot geloof komen door te zeggen: “Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader hem trekt” [Joh. 6:44]. Johannes de Doper had eerder al getuigd in Johannes 3:27“Geen mens kan iets aannemen tenzij het hem uit de hemel gegeven wordt.”
Dat is vanuit de Geest die God is.
Paulus getuigt daar in Efeze 2:8 op zijn wijze van: “Door genade bent u behouden, door het geloof en dat niet uit uzelf, het is een gave van God”. Dat is: door de Geest.
Het tot geloof komen is dus een dynamische werking van de Geest van God in wisselwerking met de mens en dat maakt dus de Kerk van God en is er het kenmerk van.
De Geest van de Vader, de Liefde van God, werkt dat getuigenis aan alle mensen, maar niet allen nemen dat aan.
Johannes 1:11-12“Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hèbben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden”.
Door Zijn Geest onderhoudt Jezus vervolgens Zijn Kerk en haar individuele leden door alle eeuwen heen. En Hij zegt dat allen daartoe in die werkzaamheid, c.q. verbondenheid met Hem, dus met Zijn Geest, dienen te blijven tot het einde toe:
Mattheüs 10:22 maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.
Mattheüs 24:13 Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.
Zoals Paulus aan het eind van zijn leven zegt in 2 Timotheüs 4:7 “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden”. Hij bleef in het levende geloof, d.w.z. in het Leven door de Geest.
De Geestelijke Kerk, de Ware Gemeente van Christus, heeft geen uiterlijke grenzen en kan niet op Aarde geteld worden door de mens. Die Kerk zijn zij “die door één Geest tot één Lichaam gedoopt zijn, en alle leden zijn met die Geest gedrenkt”. [1Cor. 12:13] En 2 Timotheüs 2:19 leert ons “En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De HERE kent de zijnen, en: Eenieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid.”
Eenieder dus, voor wie dat geldt, behoort tot de Gemeente die Hij gesticht heeft en bezig is te bouwen!
Want “niet ieder die tot Mij zegt “Here, Here”, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil van Mijn Vader” [Mattheüs 7:21]
In 1 Cor. 1:2 richt Paulus zich tot alle gelovigen wereldwijd en Petrus in 2 Petrus 1: 1 tot hen die een even kostbaar geloof hebben als hijzelf en de zijnen.
Voor hen geldt: “Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten”, Filip. 3:20 NBG51.
Bovendien zegt de HEER Zelf: “Waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden.” [Mt. 18:20] Daar is “Kerk”, die Hij gesticht heeft. Hij is in hen, die de Kerk zijn.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat “in Mijn Naam vergaderd zijn” betekent dat men werkelijk in Zijn Geest bijeen is. En door de ware Geest van God, begrijpt men ook wat Hij met de mens en met Zijn Gemeente wil. Men begrijpt de eigen verantwoordelijkheid als deel van het geheel en pakt die op.
Kerk zijn ging – en gaat – over het geloof in Jezus Christus dat door Zijn Geest in de mensen wordt gewekt, waardoor dus een levende verbinding met de HEER Zelf tot stand komt, die tot de volkomen innerlijke eenheid met Hem zal leiden. Dit geloof in Jezus als de beloofde Messias werd volledig ondersteund door de toen bekende Hebreeuwse Schrift en de Griekse vertaling daarvan, de Septuagint, die van de Messias getuigen en waar de apostelen veelvuldig uit citeerden en onderwezen. Deze fungeerden echter als secundaire bron. Hun wandel met Jezus in de Geest was hun primaire Bron van inzicht, kennis, waarheid, openbaring en leven in Zijn Liefde. En dat geldt ook voor de hele Ware Kerk van alle eeuwen.
Kerk zijn ging dus aanvankelijk niet in de eerste plaats over geloof vanuit de huidige christelijke Bijbel. Die werd immers pas zo’n 300 jaar na de stichting van de eerste gemeente samengesteld door de toenmalige door de mens geïnstitueerde “Kerk”, omdat er onder keizer Constantijn de Grote behoefte kwam aan eenheid van godsdienst in het Romeinse Rijk. Maar het ging over de wandel in de Geest van Christus in alles in het dagelijks leven. Dat lezen we in alle brieven van Paulus. Het ging over geloof in het Levende Woord van God dat vlees geworden was en nu opnieuw vlees werd in hen die door de Vader tot geloof in Jezus waren gekomen, krachtens het woord van Jezus zelf:
Johannes 6:44 “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekt, en Ik zal hem opwekken ten jongste dage.”
Johannes 6:65 “En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij.” Eigenlijk dus: tenzij hij door de liefde van de Vader tot de Zoon gedreven wordt!
Daarin zijn ook verschillende niveaus, diepgangen, gradaties van christelijk leven. Jezus doelt daarop als Hij zegt in Mattheüs 5:19 “Wie dan een van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen”.
In Lukas 7:28 “Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is niemand groter dan Johannes, maar de kleinste in het Koninkrijk Gods is groter dan hij.”
Ook toont de HEER dit aan in de gelijkenissen van de talenten en de ponden.
Paulus doelt hierop als hij schrijft:
1 Cor 3:10-15 “Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt. Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt. Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen. Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro, ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken. Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen.”
Dit onderscheid blijkt ook in de Openbaring aan Johannes over begin- en eindtijd van de Kerk:
Openbaring 11:18 “en de volkeren waren toornig geworden, maar uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, profeten en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven.”
Openbaring 19:5 En een stem ging uit van de troon, zeggende: Looft onze God, al zijn knechten, die Hem vreest, gij kleinen en gij groten!
Ook wordt dit uitgedrukt in het loon, dat de HERE brengt voor hen naarmate hun werken: Openbaring 22:12 “Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om eenieder te vergelden, naar dat zijn werk is.”
Jesaja 40:10 Zie, hier is uw God! Zie, de Here HERE zal komen met kracht en zijn arm zal heerschappij oefenen; zie, zijn loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit.
Maar kern van het geloof is altijd het bewustzijn dat Jezus Christus in de Geest in de christen is:
2 Corinthe 13:5 “Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk”.
Wat was het bewijs dat zij in het ware geloof waren? Het bewustzijn dat Jezus Christus in hen is! En daarmee gepaard: het dienovereenkomstig handelen volgens Johannes 13:35 “Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.”
Johannes beschreef dat ook als:
1 Johannes 2:20,27 Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft in u en gij hebt niet van node, dat iemand u leert; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft.”
Ieder had en heeft zijn functie in het volk van God, Zijn Gemeente, de Gemeente bestaande uit mensen die de HERE kennen, meer nog: die door Hem gekend zijn, zoals in
Genesis 18:18-19 “Abraham immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden en met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden; want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des HEREN zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HERE aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft.”
1 Corinthe 8:3 “maar heeft iemand God lief, dan is deze door Hem gekend.”
Galaten 4:9 “Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken?
2 Timotheüs 2:19 En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent de zijnen, en: Eenieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid.
2.2 Wat ging er mis? Het verval van de kerk. De afval.
Zoals gezegd, is het Kenmerk van de Geestelijke of Ware Kerk van God, de werking van de Geest van Christus in de mens vanaf het begin van zijn geloof tot aan zijn voleinding.
Waar deze werking afneemt en stopt en zo geheel verdwijnt of er misschien zelfs nooit geweest is, kan wel een uiterlijke kerk (blijven) bestaan, maar die is dan niet meer werkzaam als Kerk van God omdat er nauwelijks of geen verbinding meer met de HEER is. Er gaat dan ook een vals getuigenis van God en van de HEER Jezus Christus uit van die “Kerk”. De afval is ingetreden, de gruwel der verwoesting op de plaats waar hij niet hoort heeft om zich heen gegrepen. De leugen is in plaats van de Waarheid gekomen, maar wordt voor waar gehouden, een toestand die altijd een gevolg is van het binnensluipen van valse leraren, valse profeten en valse christussen, die het evangelie verdraaien en valse leerstellingen verkondigen.
Jezus waarschuwt daar al voor in de Bergrede: “Wacht u voor de valse profeten, die in schapenvacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen.” [Matth. 7:15,20]
Vervolgens in Mattheüs 24:11,24: “Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden.”
Paulus waarschuwt de oudsten van Efeze:
Handelingen 20:29 “Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen”;
In Openbaring 2:2 getuigt de HEER:
“Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding en dat gij de kwaden niet kunt verdragen en hen op de proef gesteld hebt, die zeggen, dat zij apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat gij hen leugenaars hebt bevonden.”
In dezelfde brief zegt Hij dat zij hun eerste liefde hebben verlaten, wat wil zeggen dat zij niet meer vanuit de Geest leefden, dat het niet meer is zoals Paulus zegt in Galaten 2:20: “met Christus ben ik gekruisigd en toch leef ik, maar niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij”. Met andere woorden: de dood in de pot, zoals ook in de brief aan Sardes: Openbaring 3:1
“En schrijf aan de engel der gemeente te Sardes: Dit zegt Hij, die de zeven Geesten Gods en de zeven sterren heeft: Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, maar gij zijt dood.”
Petrus waarschuwt in 2 Petrus 2:1
“Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend.”
Johannes in 1 Johannes 2:18-19:
“Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is. Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn: maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn”.
En in 1 Johannes 4:1 “Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan.”
Judas waarschuwt in vers 3
“Dat de geroepenen tot het uiterste moeten strijden voor het geloof dat eenmaal de heiligen is overgeleverd”, “want er zijn vele goddeloze mensen binnengeslopen die Jezus Christus verloochenen.”
Paulus beschrijft deze toestand in zijn brief aan de Galaten:
Galaten 3:3 “Jullie zijn begonnen in de Geest en eindig je nu in het vlees?”
En in vele andere teksten waarschuwt hij tegen afval door valse leer, zoals in
Efeze 4:14 “Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt”.
In Filippenzen 3: 2 “Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis!”
En in vers 3:18: “velen wandelen (ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende) als vijanden van het kruis van Christus.”
En aan Timotheüs schrijft hij:
1 Timotheüs 4:1“Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen”.
De valse profeten vervangen de waarheid door leugens die voor waarheid moeten doorgaan, waarmee zij het volk verleiden. Zo zegt de HEER in Jesaja 3:12
“Mijn volk, uw leiders zijn verleiders en zij maken de weg die u tot pad moest zijn, tot een doolweg.”
En in Jesaja 9:16 “De leiders van dit volk waren verleiders en wie zich leiden lieten, werden op een doolweg gebracht.”
In Jeremia 2:8
“De priesters zeiden niet: Waar is de HERE; en zij die zich met de wet bezighouden, wilden Mij niet kennen; de herders werden van Mij afvallig; de profeten profeteerden door Baäl en liepen hen die geen baat brengen, achterna.”
Nog extremer in Ezechiël:
Ezechiël 22:27 “De oversten zijn er als roofgierige wolven, die bloed vergieten en mensen in het verderf storten om zichzelf te bevoordelen”.
Nadat alle apostelen gestorven waren, waren er nauwelijks of geen predikers meer over om de zuivere Geest en daardoor de zuivere leer te bewaken in de gemeenten. Ook zij werden spoedig vervolgd door de valse leraars, die uiteindelijk als heersers volledig de overhand kregen en een “Kerk” oprichtten die geheel afweek van de door de HEER Zelf en Zijn apostelen gestichte Kerk. Een zeer hiërarchisch gestructureerde Kerk kwam tevoorschijn, bestaande uit “natuurlijke mensen die de Geest niet hebben” [Judas 1:19], “misleiders en antichristen” [N.B. Let op hoezeer Johannes hiertegen waarschuwt 2 Joh. 1:7-11!].
En hoewel deze latere “Kerk” al deze aangehaalde teksten heeft opgenomen en gebundeld en gezegd heeft: dit is nu Het Woord van God, heeft zij zelf de positie ingenomen als heerser over het geschreven Woord van God, heeft de bekende Griekse geschriften vertaald in het Latijn en zo eeuwenlang de inhoud voor het grote publiek verborgen gehouden en slechts voorgelezen wat haar goed uitkwam teneinde als ware Nikolaïeten het volk onder haar macht te kunnen houden. Ze heeft de Schrift zelf haar betekenis ontnomen door die waar mogelijk te verdraaien of ook te vervalsen door toevoegingen zoals in 1 Johannes 5:7-8.
Als de leiders hun eigen belang gaan dienen boven dat van de HEER en dat van de schapen die zij geacht worden te leiden in grazige weiden, dragen zij die mentaliteit van eigenliefde over op de schapen.
Filippenzen 2:21 “want allen zoeken zij hun eigen belang, niet de zaak van Christus Jezus.”
De schapen raken verstrooid op “alle bergen Israëls”. Flarden van waarheid zijn nog in hen aanwezig, maar niet meer een innerlijke eenheid daarvan. Jeremia 23 en Ezechiël 34 beschrijven de toestand. En vele andere teksten in de profeten.
Uiteindelijk is er totale afval, tot diepe droefenis van de Geest Gods, zoals dat geuit wordt in Jezus’ wenen over Jeruzalem, in de Klaagliederen van Jeremia en zoals David weende over Saul en Jonathan. En Paulus over hen die “wandelen als vijanden van het kruis van Christus”.
Zoals toen, zelfs ook nadat de Heerlijkheid Gods in de Zoon was verschenen, weet de vijand van God en Christus dat wat Kerk is totaal te ontwrichten, zodat er niets meer van de oorspronkelijke Heerlijkheid van de Apostolische gemeente over is.
Grijpt de HEER dan niet in? De HEER wandelt met Zijn getrouwen. De overigen lopen op den duur wel tegen de lamp. Hij laat hen hun eenmaal gegeven vrije wil. Hij roept, zendt profeten, die door hen verworpen worden, wat is er nog meer te doen? Hen wacht dan willens en wetens de tweede dood.
De kerkgeschiedenis laat overduidelijk zien hoe gruwelijk de afval door de eeuwen geweest is, hoe groot de verdrukking door de afgevallen “Kerk” zelf, is geweest.
En dat niet alleen in het groot, ook in snipperkerkjes zoals er vandaag de dag bestaan kan er een ware religieuze terreur heersen als gevolg van het verkeerd verstaan van de Schrift, door leerstellingen uit de mens, met name wat de “autoriteit” in de Kerk betreft.
Hierover een brief van een broeder aan een kerkelijk leider. De brief gaat over de werking van het Nikolaïtische leiderschap.
“Broeder,
Ik heb wat nagedacht over leiderschap in de Gemeente Gods.
Het is heel belangrijk dat wij als christenen weten welk leiderschap de HEER voor ogen staat.
De manier waarop er n.l. door “leiders” met het daarmee aan hen verleende of door hen genomen gezag wordt omgegaan blijkt nogal eens erg onvolwassen te zijn, in die zin dat het niet in de Geest van Christus wordt uitgeoefend maar in de geest van de met gezag beklede natuurlijke mens. ”Regels” worden dan gehandhaafd “om de regels” i.p.v. om het doel dat ze behoren te dienen of men hanteert ze in een geest die niet die van de HERE Jezus is, derhalve zonder hartsrelatie met de ander.
Ik heb in het onderstaande een aantal gedachten daarover neergezet. Ik beoog er niemand persoonlijk mee te kwetsen, te bedreigen of te bekritiseren. Ieders inzet in wat gezien wordt als een leidinggevende taak in de gemeente is te waarderen. Soms wordt er echter wat al te gemakkelijk heen gelopen over de consequenties van leiderschap in Gods Kerk. Soms loopt men dan ook wat te gemakkelijk over zijn naaste heen. Matth. 20:25-28; Mark 10:35-45; Luk 22:24-30; Joh 13:12-17 en 1 Pet 5:1-4 laten toch niets aan duidelijkheid te wensen over!?
Als we in de gemeente onderscheid gaan maken tussen “leidinggevenden” en “leiding ontvangenden” word ik op grond van inmiddels ruim 50 jaar ervaring met “leidinggevenden” in diverse kerkelijke gemeentes, nogal huiverig. Ik moet dan altijd terugdenken aan de woorden van de HERE JEZUS in Matth. 23:8 “Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden, want EEN is uw Meester, namelijk Christus en GIJ ZIJT ALLEN BROEDERS”, in Matth. 23:10 “Laat u ook geen leidslieden noemen, want ÉÉN is uw Leidsman, de Christus!” en in Matth. 23:12 “En wie zichzelf verhogen zal, zal vernederd worden en wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden.”
Ik heb gemerkt dat “leiderschap” in de kerkelijke gemeente als regel plaats vindt TEN KOSTE VAN WARE BROEDERSCHAP. Het ”leiderschap” meent als vanzelfsprekend met een AMBTELIJKE BENADERING van de leiding ontvangenden te kunnen volstaan en met de introductie van een “GESLOTEN GEBIED” voor hen die niet tot de kring der leidinggevende uitverkorenen behoren. Men vervalt tot FORMELE OMGANG VANUIT “HET AMBT”, met de “ONDERGESCHIKTEN” of de “HULPVRAGENDEN”. De persoonlijke naastenliefde gaat dan plaats maken voor relatieloze, onpersoonlijke, AMBTELIJKE ZORG. En dat is NU precies den HERE een GRUWEL!
Een aantal andere teksten i.v.m. kerkelijk “leiderschap”:
I Sam. 8:5-9 “en zij (de oudsten van Israël’) zeiden tot hem (Samuël): Zie, gij zijt oud geworden en uw zonen wandelen niet in uw wegen; stel nu een koning over ons aan om ons te richten, ALS BIJ ALLE ANDERE VOLKEN. Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons te richten, mishaagde dat aan Samuël en hij bad tot de HERE. De HERE zei tot Samuël: “Luister naar het volk, in alles wat zij u zeggen, want niet u hebben zij verworpen, MAAR MIJ HEBBEN ZIJ VERWORPEN, dat IK GEEN KONING OVER HEN ZOU ZIJN. Juist zoals zij gedaan hebben van de dag af, toen Ik hen uit Egypte leidde, tot op de huidige dag, DAT ZIJ MIJ HEBBEN VERLATEN en andere goden gediend, zo doen zij nu ook tegen u. Nu dan, luister naar hen, maar waarschuw hen ernstig en zeg hun aan, hoe het optreden zal zijn van de koning die over hun regeren zal.”
I Sam 8:19, “Het volk weigerde echter naar Samuël te luisteren en zij zeiden: Neen, TOCH MOET ER EEN KONING OVER ONS ZIJN”.
Ezech. 34:15, “Ik zelf zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de HERE HERE.”
Joh 10:14-15,”Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, gelijk MIJ de Vader kent en Ik de Vader ken en Ik zet mijn leven in voor de schapen.”
Joh 10:4-5, “En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, gaat HIJ voor hen heen en de schapen volgen HEM omdat zij ZIJN stem kennen. Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem weglopen”.
Joh 6:45, “Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen DOOR GOD geleerd zijn.”
Vergelijk dat met Exodus 20:19:
En zij zeiden tot Mozes: “Spreek gij met ons, dan zullen wij horen; maar God spreke niet met ons opdat wij niet sterven”.
En Deut. 8:2 “evenals de volken die de HERE doet omkomen om uwentwil, zult ook gij omkomen, omdat gij naar de STEM van de HERE, Uw God niet wilde luisteren”.
Joh 16:13, “doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal HIJ u de weg wijzen tot de volle waarheid; want HIJ zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort zal Hij spreken.”
II Cor 3:17, “De HERE nu IS de GEEST, en waar de GEEST des HEREN is, aldaar is vrijheid.”
I Joh 2:27, “En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u en gij hebt niet van node dat iemand u leert; maar, gelijk ZIJN ZALVING U LEERT OVER ALLE DINGEN en WAARACHTIG IS en GEEN LEUGEN, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft.”
Jer. 31:34,”en zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Ken de HERE, want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe”.
Als er eenmaal een TWEELAGENSYSTEEM in een kerk is ontstaan dan heeft dat systeem altijd de neiging te willen blijven bestaan, met als gevolg het tot in lengte van dagen ONMONDIG HOUDEN van de onderlaag, zonodig onder dwang. De Heer wil ons echter zo snel mogelijk tot zelfstandigheid en mondigheid in Hem (DOOR HEM in ons!) opvoeden. Hij deed dat Zelf destijds op aarde in ca. drie en een half jaar, daarbij gehandicapt in Zijn onderwijs aan Zijn discipelen doordat de Heilige Geest nog niet voor hen gekomen was zoals in Hem, waardoor zij zoveel nog niet konden begrijpen, maar later pas. Johannes 13:7 “Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan.”
THANS hebben wij ALLEN toegang tot de Heilige Geest, als wij de HERE JEZUS als Verlosser van onze zonden aanvaard hebben en wij wandelen in Zijn Liefde door het geloof in Hem. Des te meer toegang hebben wij tot God naarmate onze overgave aan Hem, aan Jezus Christus in ons, groter is en des te meer toegang zullen wij Zijn Geest dan tot ons willen en KUNNEN verlenen. Want God verenigt Zich met ons naar de mate van onze liefde tot Hem. Die liefde wordt uitgedrukt in de overgave aan Hem en die overgave aan Hem wordt uitgedrukt in de mate dat wij IN ZIJN LIEFDE WANDELEN en bereid zijn met Christus gekruisigd te worden. “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij!”
Het TWEELAGENSYSTEEM leidt nooit tot echte VRIJHEID van de individuele leden.
Het TWEELAGENSYSTEEM zal ook nooit prediken dat we met Christus gekruisigd moeten worden en sterven, om vervolgens BLIJVEND uit de GEEST te gaan leven, uit Jezus Christus in ons, 2 Cor. 13:5. Want die prediking zou immers direct leiden tot opheffing van dat systeem, omdat dat systeem tegen het Woord van Jezus in gaat. Doch als het dat wel zegt te prediken, dan betekent met Christus gekruisigd worden bij HEN: onvoorwaardelijke onderwerping aan het systeem en aan het gezag van haar leiders en leven naar HUN geest en geloven dat alles wat ZIJ zeggen of doen van God komt. De vrije Christus, de INWONENDE HEER, wordt dan opnieuw, IN ONS, door hen gekruisigd.
De HEER haat dat tweelagensysteem, dat Hij de werken der Nicolaïeten noemt in Opb. 2:6 en 15. Nicolaïs betekent: heerser over het volk.
Toch moeten en zullen er leraars van Godswege zijn in de gemeenten GODS. Maar die zullen altijd het kenmerk dragen van Hebr. 13:8 “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”. Dat is de TOETS voor LEIDERSCHAP IN DE GEMEENTE GODS. Dáárom staat die tekst erna vers 7! HIJ is immers de LERAAR TER GERECHTIGHEID, volgens Joël 2:23 en zoals wij boven reeds gezien hebben. Door Zijn Geest leidt Hij ons – niet als marionetten, maar doordat wij ÉÉN worden met Zijn Geest – en onderwijst Hij ons (1 Joh 2:27). Dàn worden wij vrij zoals Joh. 8:36 zegt: “Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zult gij waarlijk vrij zijn”. EN DIE LEIDERS VAN GODSWEGE ZULLEN ZICH GEEN LEIDSLIEDEN LATEN NOEMEN.
Werkelijke leraars zijn zelf door GOD geleerd in de praktijk van hun leven. En zoals ouders leraars behoren te zijn voor hun kinderen en ouderen i.h.a. voor jongeren, behoren zij die reeds langer in Christus zijn, leraars te kunnen zijn voor degenen die pas op de weg van het geloof in Jezus zijn, zonder ook maar enige heerschappij of geldingsdrang over hen uit te oefenen. Zie 1 Kor 11:1 en Filipp. 3:17 of 1 Pet 5:1-4.
De ellende begint zodra men aan leraarschap en leiderschap een officiële, ambtelijke status in de gemeente gaat verbinden. Want nu zal de nieuwe leider zich immers te allen tijde waar willen maken als leider. HIJ ZAL GEZAG WILLEN ONTLENEN AAN ZIJN AMBT als dat nodig is om zich te kunnen handhaven, etc. “HIJ IS IMMERS DE DOOR GOD AANGESTELDE LEIDER!”, (MOET MEN GELOVEN) En als hij naast kennis van goed en kwaad (Bijbelkennis) eigenlijk niets heeft, hoe zal hij zich dan anders kunnen handhaven dan alleen in en door zijn ambt(elijke toren)?
Als regel bestaat die man-made bovenlaag zelf weer uit meerdere lagen, met naar boven toe steeds hogere autoriteiten. Het schema van deze aardse piramide wordt trouwens door hen altijd zonder meer doorgetrokken tot in de hemel! Van dit pauselijke, naar de orde van de Babelse toren gebouwde systeem, zegt de HEER in Jeremia 51:26, “en ZIJ zullen uit u geen steen nemen tot een hoek, ook geen steen tot fundament want gij zult tot eeuwige woestheden zijn”. Dat is immers geheel conform Matth. 20:25-28 of Mark 9:34-37!?
Echte, van God gegeven leiders hoeven hun gezag niet te ontlenen aan hun ambtelijke status. De HERE Zelf is hun gezag. De HERE IN hen, ZIJN LIEFDE, ZIJN WAARHEID, Zijn DRAAGKRACHT IN HEN, hun van God gegeven en VERWORVEN vermogen TOT LUISTEREN, HUN WERKELIJKE DIENSTBAARHEID IN HET WEZEN VAN JEZUS, ECHT IN HET WEZEN VAN ZIJN NAAM DOOR DE INNERLIJKE EENHEID MET HEM.
Zij zijn ook niet te bedreigen, zodat ze ter bescherming van zichzelf geen ambtelijke toren nodig hebben. De HERE Zelf is hun burcht en hun STERKTE. Bij de werkelijk ootmoedige en echte nederige is dat te vinden. Bij echte nederigheid vindt de HERE Zijn woning, daar voelt Hij Zich thuis. De echte nederige weet zich heel goed te distantiëren van valse nederigheid. Die echte nederige weet dat Jezus Christus in hem is. Want als hij daar NIET ZEKER van zou zijn, zou hij, volgens. Paulus, VERWERPELIJK ZIJN (2 Kor 13:5).
De HERE Jezus, die van Zichzelf zei, dat Hij nederig en zachtmoedig is, beleed ook altijd openlijk dat de Vader in Hem de werken deed, of de woorden sprak of dat Hij zonder Hem niets kon doen. Dat werd Hem dan ook vele malen kwalijk genomen door de “bovenlaag”, “en men droeg stenen aan” (Joh 8:59; 10:31).
Wij kunnen en BEHOREN ons dat LEVEN door dezelfde Geest eigen te maken. De tegenstander tracht ons dat, net als bij Jezus, te betwisten en te beletten. Die strijd zullen wij door het geloof van en in JEZUS IN ONS, moeten winnen. Zolang wij zelf de aanklager niet hebben overwonnen, die ons tot valse nederigheid wil brengen en daartoe bij voorkeur beschuldigingen van hoogmoed of rebellie aanwendt, zullen wij ook nauwelijks kunnen geloven dat anderen wel overwinnen en we zullen dan ook niet met hen op dat niveau kunnen communiceren. We zullen hen dan een beetje scheef aankijken en als we niet uitkijken zal de NAIJVER ons grijpen en als we dan ook nog een ambt bekleden staat de deur wijd open voor religieuze heerszucht en manipulatie.
“Indien iemand staat naar het opzienersambt, dan begeert hij een voortreffelijke taak”, zegt Paulus en voegt er meteen de nodige kwalificaties aan toe waaraan een aspirant opziener zich kan toetsen, 1 Tim. 3:1-7. En voorts: “indien iemand zich nu hiervan (n.l. van de ongerechtigheid, 2 Tim 2:19) gereinigd heeft, zal hij een voorwerp zijn met eervolle bestemming, geheiligd, bruikbaar voor de eigenaar, voor iedere goede taak gereed”, 2 Tim. 2:21 (dus niet door een universitaire titel of diploma van een bijbelschool)!
Gods wijsheid om af te rekenen met het zondeprobleem, met ALLE ZONDE, bestaat uit AANVAARDING van je KRUISDOOD MET JEZUS EN DE WEDERGEBOORTE UIT DE GEEST EN HET WOORD VAN GOD.
Waar leraren en leiders niet met Christus gekruisigd worden, resp. zijn, ZULLEN ZIJ EEN VLOEK VOOR DE GEMEENTE ZIJN EN MET HEN, HUN AMBTELIJK APPARAAT. GEMEENTE VAN JEZUS, LET OP UW SAECK!
Als de ”leiding” van de gemeente, die gemeente niet teruggeeft aan JEZUS als Leidsman, als zij bang is om dat te doen uit angst voor controleverlies en uit ongeloof dan zullen zij die ANGST en dat ongeloof over de gemeente brengen, zodat die NIET VRIJ is en men nooit durft handelen zonder de toestemming van de “leiding”. Dan zijn we weer terug bij het Jeruzalem dat beneden is, met haar kinderen in slavernij, terug bij af, een failliete Kerk, Israël dat weigert het beloofde land in te trekken.
Dit wilde ik graag met je delen en ik verneem graag je eerlijke respons.”