Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt?

Er zijn in principe twee werelden, zoals Genesis 1:1 vermeldt. Daar worden deze werelden resp. hemel(en) en aarde genoemd. Meer nauwkeurig gaat het hier om de innerlijke wereld en de uiterlijke of stoffelijke wereld. God is de Eeuwige Innerlijke Reine Wereld die Alomtegenwoordig is, uit Wie alles wat vorm en gestalte heeft, is voortgekomen. Die zijn daarom een uitdrukking van Wie God is.  God is de Grote en Enige Levensgeest en heeft uit Zich aan Alles, elementen, mineralen, micro-organismen, planten en dieren een levensgeest verleend die deze schepsels als dragers van bijzondere eigenschappen als hun eigen natuur handhaven door een opgelegde wet.

Elk schepsel is door een woord of uitspraak van God, als het Woord,  voortgebracht, welk woord alle eigenschappen – de “naam” – het leven – van het specifieke schepsel in zich draagt.

De mens op deze Aarde is de grote uitzondering onder de schepsels. God schiep de mens met het doel Zijn Kinderen te worden, Evenbeelden van Hem te zijn. De kiem daartoe is in ieder mens gelegd – de geest in de mens (Job 32:8). De geest van de mens bevindt zich in het hart. De geest is niet het verstand of het denken van het hoofd (mind in het Engels). De geest vertegenwoordigt de innerlijke wereld in de mens, zijn lichaam is de uiterlijke wereld, de aarde.

Als Zijn Kinderen moeten de mensen drager zijn van Goddelijke eigenschappen, waartoe God van Zijn Geest in de mens gelegd heeft, waarmee Hij Zich verbindt naar mate de mens God in zijn hart erkent en zich in zijn hart tot Hem keert.

In de Geest zijn alle Goddelijke Eigenschappen, zoals Liefde, Waarheid, Kracht, Werkzame Wil, Denkvermogen, Scheppend vermogen, Orde, Blijdschap, Wijsheid, Inzicht, Levens-ernst, Geduld, Barmhartigheid, Vrede en Vrijheid vertegenwoordigd, net zoals een zaadcel of eicel drager is van alle erfelijke eigenschappen van de soort.

De eerste mens, Adam, stond aanvankelijk volledig in open verbinding met de Geest Gods en wist daardoor alle schepselen met hun naam te benoemen. Hij verstond hun leven. Maar hij vond zijns gelijke daaronder niet. Net zo min als God Zelf, Zijn Gelijke onder de schepselen vindt die alle onder Zijn gebod staan. Maar in de Mens als Super-schepsel zou Hij Zich kunnen herkennen.

Wie zich door de genade van God bewust is geworden van Zijn bestaan, ja meer dan dat Zijn Eeuwige ZIJN, is daardoor een deelgenoot van Gods Bewustzijn geworden. God, de HEER van Hemel en Aarde is het Allesomvattende Bewustzijn van alle schepselen en nog meer dan dat. Immers gaf Hij Zelf aan alle dingen leven en dus bewustzijn mee. Leven draagt bewustzijn in zich. Elk atoom zijn eigen bewustzijn en mogelijkheden, elke verbinding van atomen hun gezamenlijke bewustzijn, enzovoort. Niets geschiedt bij toeval. Elke verbinding wordt door de Geest van God vormgegeven.

Aan het begin en het eind van die keten staat de Mens, naar Wiens Beeld de mens wordende is. (wordt vervolgd)

Dit bericht is geplaatst in Artikelen AGH. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *